Het Bossche Dialect

Het Bossche Dialect

Woensdag 11 maart mochten we ons Algemeen Beschaafd Nederlands voor een avondje thuis laten. We werden gekeurd op onze vaardigheid van het Bossche dialect, dat (nog) geen taal is maar wel als Immaterieel Erfgoed kan worden beschouwd. Althans dat betoogde Frank Finkers in zijn lezing die hij ons voorschotelde.

En Frank weet waar hij het over heeft. Hij is Neerlandicus, en kan tevens gezien worden als kenner van de Brabantse dialecten en ‘het Bosch’ in het bijzonder. Hij is tevens de drijvende kracht achter Boschlogie, schrijft onder meer liedteksten en bedenkt de teksten en oefeningen voor het jaarlijkse Grôôt Bosch Dictee.

Frank begon zijn lezing met enkele voor ‘het Bosch’ kenmerkende woorden, zoals koekwaus en braoierd, gevolgd door de typerende en vaak gebruikte dubbele ontkenning. Normaal hebben onze hersenen moeite met dubbele ontkenningen. Maar met dubbele ontkenningen in het dialect hebben we geen moeite, zelfs niet met een veelvoud van dubbele ontkenningen. “Diejen braoerd heet nèver nooit nie van z’n leve nie ginnen ene flikker nie veur mijn nie gineens niet gedaon nie”.

Om het Bossche dialect toe te lichten kregen we uit de mond van Frank veel voorbeelden te horen van typische Bossche klanken, uitgesproken met een bijbehorende ‘speciaole’ anatomie van de mond. Het Bosch kent een zeer grote variatie van klanken. Van een donkere ao-klank tot een vette è-klank en van een sjieke Franse Rhône klank tot een gemene lange ee-klank.

Het Bosch kent veel invloeden van buitenaf en is ook sterk beïnvloed door historische overheersers, zoals de Fransen. Het Bosch kent veel Franse , bijna onherkenbare verbasteringen en contaminaties. Maar ook de joden hebben hun sporen in het dialect nagelaten.

De meest gebruikte woorden passeerden de revue en afsluitend werden we herinnerd aan het meest bekende drieletterwoord van Den Bosch (ook vaak gebruikt door de New Kids uit Maaskantje, in hun films te beluisteren). Het paste allemaal bij ‘nne gruw’lijk grôten bèk’ waar de ‘echte’ Bosschenaren om bekend zijn.

Aan het eind van de lezing dachten we zelfs in ‘t Bosch. Frank Finkers had ons midden in Den Bosch gezet. Wè Gij!